Search
Close this search box.

Edwin Evers: ‘Ze denken dat het een trucje is’

Het jochie dat altijd radiootje speelde,is nu een gevierd deejay. Edwin Evers (32) maakt vanaf zes uur ’s ochtends op Radio 538 een programma met veel lol en af en toe een spraakmakende imitatie, zoals van de gebroeders De Boer. Met ‘Evers staat op’ verdubbelde hij in enkele maanden het marktaandeel van zijn werkgever, waar hij als eerste Nederlandse dj meer dan een miljoen verdient. „Ik ben toch een provinciaal gebleven.”

Ik ben geen wilde jongen. Ik wil niet zeggen dat ik saai ben, maar ik ben wel rustiger, kalmer dan je misschien zou denken. Bij deejays hebben veel mensen nog altijd het idee van macho’s, stoere jongens met grote auto’s, veel drank en lekkere wijven. Dat ben ik niet. Dj’s zijn veel professioneler geworden, het is veel meer een vak dan vroeger, het gaat nu meer om wat je doet dan om wat je bent. Ik zit niet achter de vrouwen aan, ik zak niet elke avond door, maar ik rijd al zo’n negen jaar elke dag heen en terug van mijn huis in Hardenberg naar de studio.”

„Ik ben nu eenmaal graag thuis. Ik ben geboren en getogen in Hardenberg en iedereen, familie en vrienden, woont er nog. Elke dag ga ik even bij mijn ouders langs, mijn twee broers zie ik ook regelmatig, eentje woont zelfs bij mij in de straat. En in mijn stamkroeg kan ik in het weekend lekker bijpraten en soms doorzakken met vrienden. Doordeweeks drink ik in elk geval niet. Ik sta ‘s nachts om vier uur op, rijd naar Hilversum, heb van zes tot tien uitzending, rijd terug, bereid thuis het programma van de volgende dag voor en maak geregeld jingletjes. Daar kan echt geen drank bij, hooguit een glaasje wijn bij het eten. Maar in het weekend wil ik dat nog wel eens inhalen.”

Nooit de drang naar de grote stad gevoeld?
„Nee, eigenlijk niet. Ik ben onderhand wel een beetje verwesterd, maar ik ben toch een provinciaal gebleven. Ik heb het altijd enorm naar mijn zin gehad in Hardenberg. Ik kan het wel afkraken, want het ziet er niet echt blauw van de terrassen, om maar iets te noemen, maar het is mijn thuis. Van kinds af aan heb ik het er enorm naar mijn zin gehad. In ons gezin mocht ik alles en ik hoefde bijvoorbeeld nooit af te wassen, omdat ik de jongste was.

Mijn twee broers zijn 42 en 38, ik was altijd het kleine broertje. Ben ik eigenlijk altijd gebleven. Er was thuis een zeer open sfeer, waaraan ik zeer gehecht ben geraakt. Iedereen was altijd heel belangstellend en steunde mij in al mijn rare kronkels. Ik was als kind alleen maar bezig met muziek en radiootje spelen en daar deed niemand moeilijk over.
Vanaf mijn zesde was ik helemaal gek van drummen en Cesar Zuiderwijk van Golden Earring was mijn grote held. Hij is misschien niet de allerbeste drummer, maar hij is wel altijd de meest aansprekende. Ik had zijn drumstel nagebouwd. Alleen stonden bij hem de bekkens niet op een poot, maar hingen ze. Ik heb toen op zolder twee bekkens aan de waslijn van mijn moeder gehangen. Ik stond altijd vooraan als de Earring in de buurt optrad, niet zozeer voor hun muziek, maar om naar Cesar te kijken.”

Je bent lang speels gebleven?
„Ik ben heel erg lang een jochie geweest, maar op mijn zestiende draaide ik in de plaatselijk disco wel elke week platen voor duizend man. Dát was wat ik wilde. Mijn vader zag heel goed waar mijn hart lag, maar hij vond toch dat ik de meao maar eens moest proberen. Mijn oudste broer had die opleiding gedaan en er een goede baan door gekregen.
Voor mij was dat een volledig zinloze opleiding. Manager… Ik maakte liever programma’s voor de ziekenomroep Hardenberg en de lokale omroep Amsterdam, waarvoor ik om zes uur de trein moest halen.

School heb ik sowieso altijd vreselijk gevonden. Niet eens het op school zijn, maar dat je er thuis ook nog bezig mee moest zijn. Ik had altijd een gevoel van: nou ben ik verdomme thuis en dan bepaalt iemand anders wat ik moet doen. Ik heb altijd een enorme vrijheidsdrang gehad. Ik kan ook heel slecht tegen autoriteit, anderen die zeggen: nu moet je dít en dan dát. Daar kan ik me tot de dag van vandaag enorm aan ergeren. Begrijp me niet verkeerd, ik was geen raddraaier, ik was juist rustig.”

Op de radio ben je anders allesbehalve rustig.
„Toch is dat programma wel een afspiegeling van hoe ik ben. Ik kan best harde dingen roepen, maar ik zal nooit schoppen om het schoppen. Het is makkelijk om mensen tot de teennagels af te branden, zeker voor de radio waar niemand je ziet, maar dat wil ik niet. Het moet wel een beetje klasse houden. Geestig, maar met respect. Zo zit ik zelf in elkaar. 
 Het is wel eens gebeurd dat een van mijn twee maatjes in het programma iets zei dat ik te ver vond gaan en daar heb ik enorme ruzie over gemaakt. Dat ging echt hard tegen hard. Moet ook kunnen. 
Maar neem Frank en Ronald de Boer, die hebben geen enkel probleem met de manier waarop ik ze nadoe. Ronald zei een keer dat hij het wel erg leuk vindt, maar dat het de laatste tijd wat vaak over geld gaat. Ik heb het via die twee over de hele voetbalwereld en daar gaat het nu eenmaal vaak over geld. Toch vinden ze het allebei een eer dat ze worden geïmiteerd. Ik zet ze soms wat dommig neer, maar ik vind die twee echt fantastisch. Ze zijn heel sportief en altijd aanspreekbaar, of het nou goed met ze gaat of slecht. Ik doe ze nu wel minder, want ze zijn een beetje uit beeld.”
  
Lekker keten, lol trappen, gaat het daar om? 
„Vroeger was ik helemaal maf van de Dik voor Mekaar show van André van Duin en Ferry de Groot op de radio. Dat was een enorme toestand, een gigantische puinhoop, maar het waren twee mensen die achter een microfoon zaten: Eén grote illusie. Dat vond ik geweldig en ik heb altijd zo ’ n soort programma willen doen. Inderdaad, beetje keet schoppen, lekker sfeertje, heel veel plezier. Ik doe af en toe typetjes, niet alleen de Boertjes, maar ook prins Bernhard, Willibrord Frequin, Cruijff, en dat lijkt er op.”

Tijdens het WK voetbal in Frankrijk ben je er in één klap beroemd mee geworden.
 „Ja, dat schoot helemaal door het plafond. Die imitaties hebben zeker meegeholpen aan mijn populariteit.”
  
Kun je iedereen nadoen?
„Alleen als de stemmen binnen mijn bereik liggen. Ik heb ze dan meestal al in mijn hoofd zitten. Als ik er iets mee wil doen, neem ik ze op, draai ze veel terug en dan maar oefenen. Het belangrijkste is niet dat je de stem perfect imiteert, maar dat je het karakter van de stem raakt. 
Een imitatie alleen laat je koud, het gaat er om wat je met zo ’ n stem, met zo ’ n persoon doet. Ik schrijf alleen wat steekwoorden op en spreek eerst die andere stemmen in. Die zet ik op de band en dan laat ik ruimte over voor de vragen die ik later als mijzelf stel.
Het is ondoenlijk om alles tegelijk te doen, dat lukt echt niet, dan moet je veel te veel switchen. Het is eigenlijk een soort toneelstukje. Ik heb het altijd leuk gevonden om te doen, als kind al. Ik gebruik die imitaties alleen in mijn programma als het bruikbaar is. Je moet het niet alleen voor jezelf doen, dan gaat het de luisteraars op den duur vervelen.” 
  
Bepalen die imitaties het succes van  ‘ Evers staat op ’ ?
„Gedeeltelijk, maar het gaat toch vooral om de sfeer. Mijn programma heeft een sfeer die je niet vindt bij de programma ’ s die mij proberen na te doen, zoals Gordon, Patty Brard en nu ook weer Daphne Deckers. Ze denken dat het een trucje is of zo, maar dat is het nou juist niet. Het aardige is dat je het succes van mijn programma niet echt kunt verklaren. Als je dat wel kon, zou iedereen het meteen kopiëren en zouden die kopieën ook succesvol zijn. 
Nu zie je dat de kopieën geen ziel hebben, omdat ze niet met passie worden gemaakt, niet origineel zijn, geen eigen sfeer hebben. Als ik op het idee kom de week af te sluiten met een cabaretier, Peter Heerschop, dan zie je binnen een maand andere programma ’ s dat ook doen. Ze doen precies wat ik doe, ze verzinnen het niet zelf en daardoor hebben die programma ’ s geen eigen sfeer.”
  
Sfeer is zo ongrijpbaar.
„Ja, maar Ruud de Wild heeft het ook. Hij is origineel en kan luisteraars boeien en onderhouden.”
  
Maar hoe dan?
„Een programma moet gewoon een goed gevoel geven. Punt. Je kunt van alles bedenken, maar dat is het.”
  
Dus in aanleg zou iedereen het moeten kunnen? 
„Het enige dat ik kan zeggen over mijn succes is dat het een combinatie is. Je moet een zeker talent hebben, je moet er een passie voor hebben, het moet klikken met de mensen om je heen en het moet dat ondefinieerbare hebben waardoor luisteraars iets met jou, met jouw programma hebben. Dat het ze aanspreekt, dat ze zich er thuis voelen. Daarvoor moet het in elk geval spontaan zijn. Kijk naar Kopspijkers, daar zie je ook zoiets. Het wordt met passie en enorm veel lol gemaakt en het is origineel. Je moet herkennen dat iets echt is, gemeend. Wij hebben in het programma een hoop lol, maar we doen niet leuk om het leuk doen. Je moet horen dat ik zelf ook iets met dat programma heb.” 

Wat heb je er dan mee? 
„Nou, ik denk dat je heel goed kan horen dat ik het geweldig vind om te doen. Anders zou ik het toch ook nooit volhouden om járen achter elkaar zo achterlijk vroeg op te staan.”
  
Je verdient ruim een miljoen per jaar, misschien houd je het daardoor wel vol?
„Geld is belangrijk, maar het is nooit de drijfveer. Ik zeg nooit hoeveel ik verdien, alleen dat het heel, heel veel is. Geld speelde wel degelijk een rol voor me om van Radio 3FM over te stappen naar Radio 538, maar als ik me bij dat station niet thuis zou voelen, had ik het nooit gedaan. Ik zag bovendien dat veel commerciële zenders een FM-frequentie zouden krijgen en vreesde dat 3FM door die commerciële stations weggeblazen zou worden. Wat ook is gebeurd. Ik zie dat de publieke zenders het ontzettend moeilijk hebben.”
  
Schaam je je voor je salaris? 
„Totaal niet. Ik heb geen enkele aandrang om me er voor te verontschuldigen. Jan Marijnissen van de SP heeft het onthutsend genoemd, maar dat zegt hij van veel meer salarissen. Als mensen er een probleem mee hebben, jammer, ik doe het uiteindelijk voor mezelf. Maar ik ben niet de hele dag mijn geld aan het tellen, als je dat mocht denken. Vergeet niet dat sinds mijn komst het marktaandeel van Radio 538 in de ochtend is verdubbeld van ruim zes procent naar 12,7 procent en het totale marktaandeel van 6,7 naar 11 procent. We zijn meteen marktleider met meer dan anderhalf miljoen luisteraars per dag. Als je daar mede verantwoordelijk voor bent, is dat geld waard. ” 
  
Geef je het gemakkelijk uit? 
„Het vergemakkelijkt je leven wel, maar ik moet zeggen dat ik altijd al heel goed heb verdiend en behoorlijk spaarzaam ben geweest. Ik geef geen geld uit aan allerlei onnodige zaken, maar ik leef wel aangenaam. Ik heb in Hardenberg een huis laten bouwen en daar woon ik nu acht jaar in. Dat is het wel zo ’ n beetje. 
Ik ben heel huiselijk, maar ik heb momenteel niet zo gek veel tijd voor een relatie, laat staan voor kinderen, want het programma slokt me enorm op. Toen ik nog bij Veronica werkte, eind jaren negentig, had ik woensdag en zaterdag uitzending. Verder deed je niets. Ik ging voor de vorm nog wel een andere dag naar Hilversum om mijn gezicht te laten zien. Nu ben ik er de hele dag mee bezig, wat ik ook doe, ook in het weekend.”

Kun je maken wat je wil? 
„Ik heb totale vrijheid. Bij 3FM, voor de KRO, had ik al veel vrijheid, maar nu is die spijkerhard vastgelegd. Ik mag alle muziek zelf invullen, er is geen groepje heren dat van te voren bepaalt wat ik moet draaien. Ik hoef nooit discussies over muziek te voeren, godzijdank, want dat zijn de meest zinloze discussies die er bestaan. Die heb ik zó vaak gevoerd en dat waren vaak hele scheldpartijen. Over muziek moet je niet praten, dat is een gevoelsding, dat moet je draaien.

Mijn publiek is toch al wat ouder dan op de rest van de dag, ruwweg tussen de 25 en 30 jaar, en er luisteren ook veel veertigers en vijftigers naar. Dat vind ik helemaal niet zo gek, want ik doe iets wat veel mensen leuk vinden. Voor die groep luisteraars zal ik niet snel keiharde hardrock draaien, maar een keertje Abba kan best, al hoor je die hier verder niet, want het is toch het jongerenstation bij uitstek is. Ach, het zijn de krenten die ik toevoeg, maar er zit altijd wel een lijn in het programma, die we de dag ervoor vastleggen. Het is niet om zes uur: Wat zullen we vandaag eens gaan doen?”
  
Het klinkt allemaal of er een jongensdroom is uitgekomen.
„Volledig. Ik had nooit gedacht dat ik zou slagen, vooral ook omdat ik uit het oosten kom en dat is normaal gesproken geen voordeel. Toen ik bij Veronica ineens zat te vergaderen met Erik de Zwart, Lex Harding en Jeroen van Inkel, dé grote idolen uit mijn jeugd, dacht ik : Wat is dít nou? Ik kan nog altijd niet goed begrijpen dat het is gebeurd, dat ik er nu zelf bij hoor. Als ik door de studio loop, denk ik nóg geregeld: Wie had dat gedacht? Ik kan me ook niet voorstellen dat er nu jongetjes rondlopen die straks Edwin Evers willen worden. Wie had dát nou gedacht?”
  
Het kan ook zo weer afgelopen zijn, want het publiek blijft jong en de dj wordt ouder.
 
„Ik besef heel goed dat je nooit weet hoe lang ze je nog leuk vinden. Ik ben me er altijd van bewust geweest dat ik niet tot mijn pensioen dj zal kunnen blijven. Daarom heb ik ook jaren gewacht met een eigen huis, ik dacht altijd: Ja, maar als…  Kan ik dit wel mijn hele leven blijven doen? Op een gegeven moment past je leeftijd niet meer bij je publiek en de muziek die je draait. Dan komt er een ander poppetje.”
  
Jeroen van Inkel was eind jaren tachtig de populairste dj van Nederland. Hij is nu 42 en net van Radio 538 overgestapt naar Veronica, waar hij vooral muziek uit de jaren tachtig en negentig gaat draaien. Dat heeft iets tragisch en het zou wel eens je voorland kunnen zijn. Nou, Jeroen is nog fris en scherp genoeg, dus daar maak ik me geen zorgen over. Maar jij bedoelt: Alsof je naar je laatste rustplaats als dj wordt gedragen? Ik weet niet wanneer dat moment voor mij komt, maar als je muziek leuk vindt, wat dan nog?” [Krantenonline/Radio.NL]